banner kate

banner kate

Woorden

over leven

links levensverhalen

De Nooit Terugrivier

Lieve pa, gisteren nam ik afscheid van je. Dromende reiziger, beeldende schrijver, dank voor alle beelden die je mij hebt meegegeven. Dat jouw Nooit Terugrivier je moge voeren naar jouw oceaan van alles waarvan je hebt gedroomd, gehoord, gelezen, verbeeld. Stroom voort in vrede.

Want in de zomer van 1979 schreef je mij een brief vanuit Noorwegen over jouw Nooit Terugrivier. Ik laat die hier voortstromen voor jou:

“Lieve Katja,

Ik ben op weg naar het mooiste dal van Noorwegen. Er moet een bergstroom doorlopen, flonkerend als vloeibaar jade in de zon: zich kerend en wendend tussen beboste oevers en witte kiezelstranden. Het doet me denken aan een oud lied, waarvan ik me de woorden maar ten dele herinner:

“Ergens is een rivier, die ze noemen Nooit Terug.
Soms is hij vreedzaam, soms vol dadendrang en eerzucht.
Ik ging op zoek naar de rivier,
Maar eens onderweg, kon ik niet meer terug.
Ik kan de rivier horen roepen: “Nooit terug! Nooit terug!”
Ik kan zijn waterval horen schreeuwen: “Nooit terug! Nooit terug!”
Mijn geliefde verloor ik in de rivier
De rivier die ze noemen Nooit Terug.
Liefde is een reiziger op de Nooit Terug rivier,
Voortgejaagd voor altijd
Om verloren te gaan in de mistige, stormende zee.”

Katja, het is al laat en stikdonker als ik de bergpas bereik naar het dal van Gudvangen. Hier moet de steilste bergweg van Europa lussend omlaag gaan met een helling van 20%. Als een bijna blinde mol kruip ik door de nauwe ingewanden van de duisternis naar de onderwereld, alleen en op alles bedacht. Aangekomen op de bodem, tuft mijn rode Peugeot opgelucht verder. Moeheid stijgt in mij op als een vloed der vergetelheid; ik zou er zachtjes in willen wegzinken en niets meer voelen. Morgen vroeg wil ik bij de veerboot zijn: in Undredal, het allerlaatste en kleinste staafkerkje op mijn pelgrimsreis. Ik zoek een plek om te slapen.

Maar de regen gutst omlaag door de duisternis en moeizaam zoeken mijn autolichten zich een weg er door heen. In een zwaai van de koplampen zie ik een dalende zijweg. Mijn wagen glijdt geruisloos omlaag en ik stap uit. Met een lantaarn om me heen schijnend, blijk ik op een bed van kiezelstenen te staan: ruim, droog en stevig aanvoelend. Een mooie plek tussen bosjes en bij schoon, stromend water. Achter mij een helling die ik moeiteloos weer op moet kunnen. Ik plaats dikke stenen om mijn voor- en achterwielen te blokkeren. Ik ben moe, draai de slaapstoel horizontaal en rol mijn slaapzak uit. Het ruisen van de regen en het rivierwater wiegt me in slaap. Heel even nog glijdt de schaduw van een gedachte langs: ‘Als het water van de rivier gaat stijgen, wat dan?’ Iets in mijn geest probeert antwoord te geven, maar ik hoor niets meer.

De schemering van de morgen wekt me. In Noorwegen is het dan nog geen vier uur in de nacht. Ik blijf liggen, wil verder slapen. De regen ruist. Nog steeds? Slapen. Het ruisende geluid houdt aan. Het klinkt sterker dan vannacht. Is het regen of is het de rivier? Er was iets waar ik vannacht aan dacht. Het stromen van water. Hef je hoofd op, kijk naar buiten, heel even maar, één blik. Ik kan niet, ik wil het niet weten. Slapen. Niet meer wakker worden. De eeuwigheid tikt voorbij. Ik hoor de eeuwigheid tikken. Steentjes tegen de wagen?

Het tikt me gek. Verdomme, verdomme. Ik veer overeind en zie de rivier: breed als de zondvloed. Er is geen strand meer, het water stroomt onder de wagen. Als ik dan toch moet overleven, dan nu of nooit: Ik start de wagen. Hij steigert en valt terug. De steen bij het achterwiel! Laarzen aan, de wagen uit, plons in het water en de steen weg halen. Opnieuw gas geven: de voorwielen slippen en slippen nog een keer. Het water heeft de grindbodem doorweekt. Planken achter de wielen! Mijn laarzen stromen vol water. Ik ben nat en verkleumd, maar voel het niet. Doorvechten. De stroom spoelt het grind weg, de voorwielaandrijving graaft zijn eigen graf en het mijne erbij. De neus van de wagen zakt weg in het water, de achterbak rijst omhoog en de rivier trekt meedogenloos. Ik verlies het gevecht met de rivier.

In de neer drenzende regen klim ik op de oever en kijk om me heen. Voor het eerst overzie ik het slagveld: een brede stroom, een steil oprijzende rotswand aan de overkant en ik aan lager wal. De wassende watervloed gaat stroomafwaarts, stroomt langs met koele, ingehouden kracht, een fluisterend geweld.

Achter me ligt de weg. Soppend in mijn laarzen, drijfnat en met lege handen sjok ik weg. De weg is verlaten, leidt naar Nergenshuizen. Dit is Nangijala (het hiernamaals uit De Gebroeders Leeuwenhart van Astrid Lindgren) en ik voel me Gary Cooper in de lege straat in de film High Noon. Waarheen?

Voorbij een bocht zie ik een halve kilometer verder een huis. De 500 meter hardlopen in soppende laarzen tegen een oplopende weg begint. Een race tegen de klok zonder publiek om half vijf in de morgen. De man die mijn tijd moet klokken, moet ik eerst uit bed bellen. Zeven jaar later kraakt de deur open. Een man, staande slapend in de deuropening, hoort een verdronken kat praten. In mijn beste Engels leg ik de staande slaper uit wat ik wens. De man gaat zonder een woord te zeggen, weer het huis in.

‘Grote goden,’ denk ik, ‘de man gaat weer naar bed! Mijn Engels is niet goed!’
Maar hij heeft de deur open gelaten. Weer zeven jaren wachten. Maar dan komt God te hulp. Hij komt te voorschijn, loopt het erf op en nu pas zie ik twee tractoren staan. We nemen de grootste.

Nu begint de 500 meter hardrijden voor boerentractors. In een ongedacht tempo bereikt de tweemanstractor het rampgebied. Mijn rode peugeot ligt nog in de rivier, de neus in het water. De tractor sleurt hem eruit. Moeiteloos en zonder drama. Ik schuif achter het stuur. De motor slaat aan! Moeiteloos. Mijn Verlosser staat op de oever en staart over het water. En ik kijk naar hem alsof ik mijn eigenste Here Jezus Christus zie na zijn wandeling over het water van Genesaret.

Een mensenleven later, een kilometer verder, stop ik. Ik daal af naar de rivier, kleed me uit en was mijn handen, mijn gezicht, mijn hele lichaam. Ik voel geen regen, geen wind, geen kou. Alles spoel ik van me af: de spanning, de moeheid en de pijn drijven mee met de Nooit Terug rivier.

Ik schuif weer in de wagen, start de motor en rijd mee met de rivier: op naar zee, naar mijn veerboot. Dan breekt de zon door en de rivier schittert als een dun, zilveren lint voor mij uit. Ergens achter de horizon zal hij de fjord bereiken en zichzelf verliezen in de oceaan.

Katja, mijn reis is bijna ten einde. Nog even maar. Maar wie zal weten waar ik heen ben gegaan? Wie zal weten waar ik geweest ben?

Liefs van paparivier Nooit Terug met inzet

Nieuw begin doorweekt

kerstkaart 2018

Lief dagboek

Gisteren ontving ik een appje dat niet voor mij bestemd was. Stiekem vond ik het wel heel erg interessant: een klant wilde haar vriendin tippen over een leuk tv-programma: Lief Dagboek. Daarin lezen volwassen mensen voor uit hun tienerdagboeken. Vaak hilarisch, soms gewoon prachtig, omdat dat soort citaten een zeer voorstelbaar beeld schetsen van hoe je het leven als tiener beleefde.

Vreemd genoeg heb ik nog nooit een biografieklant gehad, die een citaat uit zijn of haar dagboek opnam in haar autobiografie. Waarschijnlijk omdat een zekere schaamte voor dat soort door de tijd getekende hersenspinsels overheerst. Maar als je je lezers waarlijk een helder beeld wilt schetsen van hoe jij je ontwikkeld hebt tot de mens die ze vandaag kennen, dan kan ik me haast geen beter idee voorstellen. En wie weet zitten er ook nog leuke knipsels in die niet misstaan in je bio...

Dus de tip van de dag voor (auto)biografieschrijvers: herlees je oude dagboeken en vraag je af welk citaat het beste illustreert hoe jij in die periode was! 

DSC 0460

(Eén waarschuwing: de verleiding om alles te gaan lezen, is waarschijnlijk onweerstaanbaar. Geniet ervan en trek er gerust wat dagen voor uit.)

Something’s coming…

Een naïeve jongeman trouwt onder druk van oorlog een mooi meisje uit een zich vreemd gedragende familie. Eenmaal getrouwd, begint het meisje zich ook steeds vreemder te gedragen. Tot ze jaren later een bedreiging wordt voor hun kind. Dan móet hij zijn passieve houding wel gaan afschudden. Hij moet uitzoeken wat er aan de hand is en hoe hij het kind tegen zijn vrouw kan beschermen. En snel. Maar de hulpverlening, de pastoor en uiteraard de familie werken niet mee - iedereen houdt de kaken stijf op elkaar. Ondertussen tikt de klok door... 

En ik

Al een poos werk ik aan het omwerken van deze biografie over ‘samenleven met een incestslachtoffer’ naar een psychologische thriller. Een kritische meelezer helpt me fantastisch met de spanningsboog. Tussen literair-technische besprekingen door, flapt hij er ineens uit dat hij onderdelen van het verhaal zo vindt lijken op zijn eigen relatie. Niet dat hij zijn leven deelt met een incestslachtoffer, maar wel met iemand met ‘emotionele uitdagingen’.

We zijn al lang bevriend, dus ik denk terug aan onze gesprekken over onze levens. Hij heeft haar weliswaar tijdens therapie ontmoet en wist dus op voorhand van haar achtergrond. Maar als ‘partner van’ blijft het een zoektocht hoe je het beste met de gevoeligheden van je geliefde kunt omgaan. En, toegegeven, ook ik herken dilemma’s. Want ieder mens heeft zo een rugzakje vol emoties; ook ikzelf en ook mijn geliefde echtgenoot.

Advent: something's comingDSC 0443

Met dit nieuwe bewustzijn krijgt het samenwerken aan dit boek een diepere lading. Eentje die inspireert, energie geeft, geestdrift zelfs.

Ik associeer direct met de tijd, jaren geleden, dat ik werkte aan een biografie over een vrouw met borstkanker tijdens de 40-dagentijd voor Pasen. Die kerkelijke periode van 'afscheid nemen en toeleven naar een nieuw begin' heeft veel raakvlakken met de adventstijd, die nu voor de deur staat. Tijdens advent, de voorbereidingstijd voor kerst, zijn christenen over de hele wereld bezig met het thema 'verwachtingsvol uitkijken naar nieuw leven'. En ik voel dat het dit keer weer zo’n intense periode gaat worden.

Wat heeft een multiculturele biografe met christelijk geloof? Mijn geloof speelt alleen een rol als mijn auteur of interviewee dat wil. Zo niet, dan komt het niet ter sprake. En helemaal in dit verhaal heeft de kerk een zeer dubieuze rol gespeeld. Mijn kennis van de christelijke traditie helpt de redacteur in mij om dat te begrijpen, maar in mijn contact met deze auteur laat ik het daarbij.

Maar tijdens het redigeren gebeurt er wel van alles binnen in mij: van twijfel over welke stukken ik ga schrappen of juist uitwerken, tot inspiratie vinden in onverwachte ontmoetingen. En aangezien ik een christen ben die middenin het multiculturele leven staat, komt die inspiratie ook uit alle hoeken. Zoals uit zo’n gesprek met een oude vriend, uit een wereld die ik al lang geleden heb verlaten, maar waar ik onverwacht weer mee in contact kwam.

Relispam of horoscoop: Something's coming

Ik heb mezelf weer getrakteerd op vier weken ‘relispam’: de adventskalender van het Nederlands Bijbelgenootschap, elke dag een Bijbeltekst in mijn mailbox. Want in de 40-dagentijd hielpen die berichtjes me om aan het begin of eind van elke werkdag even de dingen van die dag te relativeren en weer ruimte te scheppen voor rust. Of juist voor nieuwe dingen. Gek genoeg gaat dat net als met horoscopen lezen: je vindt altijd wel woorden die op een of andere manier aansluiten bij de dingen waar je op dat moment mee bezig bent. Zie ze niet als voorspellingen of geboden, maar als ideetjes om inspiratie bij te vinden. Laat je niet gek maken, maar haal eruit wat goed voelt voor jou.

Ik voel dat de advent de komende weken weer intens, dwars door de biografieën gaat lopen waar ik aan werk. Dit verhaal én dat van een oudere, zeer Hollands opgevoede dame die op zoek gaat naar de verborgen, oosterse invloeden die haar leven stiekem hebben vorm gegeven…

Wordt vervolgd.