banner kate

banner kate

Woorden

over leven

links levensverhalen

Vakantieblog: Ça va, Jean?

Luid toeterend en zwaaiend rijdt de Fransman met de pleisters op zijn voeten in zijn Renaultje de camping af. Natuurlijk zwaaien we terug. Exit Jean. 

Hij deed me denken aan een andere Jean die ik eens op Franse vakantie tegenkwam. Als student beklom ik met een vriend de Pic du Canigou in de oostelijke, Franse Pyreneeën. We hadden de hele zomervakantie geoefend op lagere bergtoppen en de hoogste voor de laatste dag bewaard. We hesen ons rugzakje op, waar het stokbrood aan de bovenkant uitstak, de thermoskan links en de waterfles rechts zat. Bij het eerste ochtendkrieken begonnen we aan de klim, op onze inmiddels goed ingelopen, degelijke bergschoenen. Lunch op de top, hadden we ons voorgenomen, zodat we de hele middag de tijd zouden hebben voor de afdaling.

Na een uurtje haalden we, nog ruim onder de boomgrens, een andere wandelaar in, op schijnbaar spiksplinternieuwe, fel rood glanzende reebokjes. Hoewel het nog koel was in het bos, was hij even gestopt voor een drinkpauze. Een opgewekte vijftiger met een klein buikje begroette ons met glinsterende kraaloogjes onder keurig kort gekapt, donker haar. Wij namen ook een slokje uit onze veldfles en knoopten een praatje aan in ons beste Frans. "Aussi à le Pic du Canigou?"

Ja, hij was er speciaal voor in het donker van huis gegaan. Hij kwam uit de naburige grote stad. Samen oplopen dan? Mais bien sûre!

Helaas bleek zijn tempo op de steile stukken niet zo hoog te liggen. Hijgend en zwetend moest Jean regelmatig op adem komen, de tijd checkend op zijn glanzende horloge met diverse meters erop.

"Ça va, Jean?" riepen wij dan steeds, elkaar een knipoog toespelend. Hoe lang tot hij om zou keren? 

Maar steeds klonk het: "Oui! Ça va!" En dan kwamen de glanzend rode reebokjes weer vast besloten aanstappen. Voor zo'n stelletje laaglanders zou de lokale Fransman niet onderdoen! 

Jean zag ondertussen zijn plastic wielrennersbidon zienderogen leger raken. Toen hij langs een rots wat water zag sijpelen, probeerde hij onhandig zijn schaarse voorraad aan te vullen. Behulpzaam plukte mijn vriend een blad waarmee hij het water van de rots in de bidon liet lopen. "Oh, vous avez beaucoup d'experience! Merci, merci!"

Mijn vriend glimlachte beleefd en liep verder. Want ook wij begonnen op ons horloge te kijken. Lunch op de top zou in dit tempo niet gaan lukken. We besloten onze lunch op een mooi uitzichtpunt te genieten, ongeveer een uurtje onder de top. Jean ging dankbaar zitten en trok een paar dure noodrantsoenrepen uit een bergsportwinkel uit zijn rugzak, onderwijl docerend dat dat het beste klimvoer was, dat je maar kon wensen. De onbestendig ogende, bruine, droge repen korter zien worden, smeerden wij dankbaar een dikke laag welriekende camembert op ons verse stokbrood. En mijn vriend begon een goed gesprek. 

"Alors, Jean, weet je zeker dat je naar de top wilt? Zou je niet verstandig zijn en hier omkeren?" Protest uiteraard in opgewonden Frans met veel gebaren. 

"Cher Jean, we hebben nu 5 uur gelopen en zijn nog niet boven. Als we de Pic willen halen en vóór het diner, vóór het donker beneden willen zijn, moeten we sneller lopen en minder pauzeren. In het donker een berg afdalen, is gevaarlijk. Begrijp je dat? Kun je dat?"

"Mais bien sûre, kon hij dat! Naturellement!" OK, wij waren bevrijd van beleefd wachten en zetten het tempo erin.

"Ça va, Jean?" Hmm, klonk het achter ons. 

Vlak onder de top: "Ça va, Jean?“ Stilte. 

Op de top natuurlijk uitgelatenheid, fotomomentjes en genieten van het uitzicht. We feliciteerden Jean met zijn prestatie. Trots liet hij ons zijn nieuwe, supersonische horloge zien, speciaal aangeschaft voor de gelegenheid: mét hartslagmeter, want hij was hartpatiënt. Zijn arts had hem geadviseerd om te gaan bewegen. Hij zou zijn arts, zijn vrouw en kinderen laten zien dat hij kon veranderen! 

Mijn vriend en ik keken elkaar geschrokken aan. We wisten dat het meest riskante stuk nog moest komen: de afdaling over los liggende rotsen met vermoeide, ongeoefende benen, afnemende concentratie én op wiebelige reebokjes. Vóórdat de duisternis zou gaan invallen. Het hart van Jean kon blijkbaar nog heel wat aan, maar waar lag de grens? We begrepen dat we hem niet alleen in de bergen mochten achterlaten.

"Allée, Jean, on y va! Wie het eerste beneden is!" In een straf tempo zetten we de afdaling in.

"Ça va, Jean?"

"Non!" klonk het nijdig achter ons.

Tijdens een korte drinkpauze trok Jean zijn niet meer zo glanzende, niet meer zo rode reebokjes uit en inspecteerde zijn kapotte tenen. Elke steen die zijn voorvoet raakte, moest hem haast wel een pijnscheut opleveren. Wat was wijsheid? Het tijdperk van de mobiele telefoons was nog niet aangebroken. Zolang hij kon lopen zonder blijvende schade te veroorzaken, was terug naar de bewoonde wereld de beste optie. De verbandtrommel lag in de auto onder aan de berg.

"Nog twee uur voordat de schemering invalt, Jean, allez-y!"

Woest keek hij zijn slavendrijvers aan, maar begon wel zijn schoenen weer aan te trekken.

Vlak voor de schemering kwamen we weer bij de auto's. Bij een beekje waste Jean zijn voeten en versierde ze met Hollandse pleisters. We complimenteerden hem met zijn doorzettingsvermogen. Dankbaar toeterend en zwaaiend reed het autootje vervolgens het dal in naar de grote stad. 

"Ça va, Jean!"

images

Pijn dragen en stralen

Haar stem klinkt nog even helder en breekbaar als ik mij herinner. Heel bewust kiezen haar doorgroefde lippen gewogen woorden. Over hoe het voelt om ouder te worden zonder kinderen of kleinkinderen. De vreugde die kleine neefjes en nichtjes soms brengen. Haar lange, blonde haren zijn hier en daar doorschoten met grijs. Haar gemis mag er van haar zijn, maar ook haar vrijheid om vakanties aan te gaan vol ontmoeting en verdieping. Ze draagt haar pijn en straalt.

Ik voel me een klein kind dat denkt: ‘Wow, dat wil ik ook.’ Voor de schone schijn, vertel ik over het afscheid van mijn vader. Die mij al jaren niet had willen zien. Hoe het zingen van ‘zijn’ Ave Maria op zijn uitvaart mij hoorbaar de keel snoerde, de noten mijn strot niet uit wilden op de manier zoals ik wilde. Hoe ik de prestatie kon loslaten en mezelf kon toestaan om het toch maar te laten stromen zoals het kwam. Pijn dragen en stralen, wat goed van mezelf. Maar ondertussen knaagt mijn geweten. Op hoeveel momenten lukt het niet? Waarom vertel ik haar dat niet?

Ik voel me vooral schuldig in contact met minder stralende mensen. Helemaal als ik hun verwijtende blikken voel. Ik reis weer terug naar de stad waar ik tegenwoordig woon. Ik wip even langs een goede vriend. Als hij open doet, zie ik de donkere sluier al in zijn donkere ogen, het is weer zover: hij draagt zijn pijn. Ik zet thee voor ons en vraag wat er goed was vandaag? Hij haalt zijn schouders op, veegt zijn geheel grijze haardos naar achteren, waardoor zijn bleke gelaat ineens in het oog springt en hij kijkt me verwijtend aan: ik kan toch ook wel zien dat er vandaag weer niets goed was? Ik benoem dat ik blij ben dat we even samen thee kunnen drinken. We zwijgen.

Dan kan ik het niet laten. Ik vertel over mijn ontmoeting eerder die dag en vooral over mijn twijfels over mezelf. Ik laat een stilte hangen, terwijl ik mijn thee drink. Geen reactie. Wat moet hij ook met mijn verhaal? Dan geef ik hem een big hug en ga naar huis.

Dan voel ik mijn telefoon trillen. Een apje: “Ik ook niet.” Opgelucht grijns ik, stuur een ‘hug smiley’ terug en schrijf deze blog. Over leven gesproken.

smiley emoji hug

Weg naar het noorden

Dat staat op het manuscript dat mijn broer mij in handen drukt. Ik herken het meteen. Het is het originele manuscript dat onze vader schreef in onze kindertijd en dat hij probeerde uitgegeven te krijgen. Hij wilde schrijver worden. Maar geen uitgever durfde de uitdaging met hem aan te gaan.

Intussen heeft mijn vader het aardse achter zich gelaten en is zijn zoektocht naar het Walhalla begonnen. En ik ben achter gebleven als redacteur/schrijfcoach en begeleid auteurs, bijvoorbeeld naar een uitgever. Nieuwsgierig sla ik het eerste blad om. Een filosofisch citaat. Op de achterkant van dat eerste blad nog een citaat. De proloog begint weer met een citaat en het eerste hoofdstuk weer. Poeh, dat zijn er wel erg veel. De proloog haalt nog meer filosofische inzichten aan. Hmm, de minder filosofische lezer is bij deze afgehaakt.

Maar voor wie schreef mijn vader dit eigenlijk? Welke doelgroep had hij in zijn hoofd? Ik weet het nog niet. Het verhaal handelt over een zoektocht naar de verklaring van raadselachtige tekens uit de oudheid op rotsen in Scandinavië. Op zichggenoeg voer voor een spannend avonturenverhaal. Maar pa slaat een andere weg in. Een semi-wetenschappelijk reisverhaal naar het hoge noorden, doorspekt met tal van symbolen, verteld op een bijna betoverende, sprookjesachtige wijze door een man die na een groot verlies zichzelf weer probeert te vinden. Die mix van genres maakte het voor traditionele uitgevers waarschijnlijk lastig om het in een fonds te plaatsen: die geven óf wetenschappelijke boeken uit óf reisverhalen óf sprookjes óf biografieën. Geen mix, want op welke doelgroep moet je je promotie dan richten? Dat is lastig. Maar ik ken intussen een jonge, eigentijdse uitgever die juist geïntrigeerd raakt van een mix van genres…

Ik besluit verder te lezen. De vertreltrant blijft betoverend: Noorse goden en helden wandelen door de zoektocht naar het raadsel van de rotstekeningen. Elk hoofdstukje is eigenlijk een boek op zich, bijna ‘too much’. De kracht van mijn vader, betoverende verhalen vertellen, is misschien tegelijkertijd de zwakte in het manuscript. Het blijft maar doorgaan met nieuwe, prachtige sprookjes. Waar blijft de ontwikkeling in de zoektocht? Mijn gedachten dwalen voortdurend af naar onze kampvuurtjes vroeger of naar zijn brieven: altijd een mooi verhaal. Intussen groeit mijn hoop dat ik toch iets zal kunnen met de sterke kanten van dit manuscript. Maar wat? In welke vorm zou dit verhaal een groep lezers in deze tijd aanspreken?

’s Avonds voel ik me uitgeput. Ik heb gelezen met het zakelijke oog van een uitgever/redacteur. Maar mijn hart blijft dat van een dochter die vele jaren een soort haat-liefde-relatie met haar vader had. Uit die periode en mijn therapiejaren daarna weet ik dat, wanneer ik heftige emoties niet laat stromen, me dit bakken met energie kost. Daar kan ik leeg van raken, opgebrand. De alarmbellen gaan af. En dus schrijf ik de volgende ochtend als eerste in mijn dagboek. Ik sluit mijn ogen, open mijn hart en probeer te voelen wat daar gebeurt. Ik voel vooral warme trots voor mijn vader. Ondanks alles. Ik voel ook zijn verdriet en zijn gevoel van falen als man, zo vlak na het uiteenvallen van zijn gezin. Dankbaar laat ik zijn tranen wegvoeren op de warme, trotse stroom energie, in de kleuren rood, geel en oranje, door mijn lichaam en mijn hart. De leegte in mij vult zich langzaam met nieuwe energie.

Welke weg zal ik inslaan? De weg naar het noorden?

manuscript pa 2

4 mei

Op 4 mei 1945 om acht uur in de avond
speelde de kleuter die later mijn moeder werd,
waarschijnlijk met wat zand en stokjes of steentjes
naast de barak in het Jappenkamp.

Daar had ze al drie jaar met haar babybroertje en tante
met honderden andere vrouwen en kinderen
een slaapplekje van 70 cm breed
met een sloopje
met een paar kleertjes, bord, beker en bestek erin.

Ze had geen zin gehad om te komen eten
Na drie jaar slijmerige 'blubberpap',
zonder suiker of zout,
was 'eten' een dagelijkse straf.

Ze wist niet meer hoe vader eruit zag.
Hij zat op een marineschip op zee,
hopelijk.

Ze wist niet waar moeder was.
Drie jaar geleden bracht tante moeder naar het ziekenhuis,
met een baby kwam tante weer thuis.

Ze wist niet meer wat vrijheid was.
Ze kende alleen de zanderige vlakte met houten barakken en prikkeldraad.
met vrouwen en kinderen en soldaten
met honger, angst, het zwijgen en de grappen.

Op 4 mei 2019 om acht uur in de avond
kijk ik met mijn zoontje van 10
naar de herdenking op tv.

We voelen ons dankbaar
dat die kleuter van toen
ons heeft geleerd om voluit te genieten
van bij je vader en moeder kunnen zijn
van kunnen eten wat we willen
van overal kunnen wandelen waar het mooi is
van eindeloos kunnen gamen op een tablet
van vieren wat vrijheid is.

Dank je wel, mam!

DSC 0604